keyboard_arrow_up

Twee Duitse levens in Nederland

Hoe afkomst, timing en bureaucratie het verschil bepaalden
 Joris Teuwen zaterdag 21 maart 4 min. leestijd IWM TR 2368
In de jaren dertig kwamen er twee heel verschillende groepen Duitsers naar Nederland. De ene groep bestond uit arbeiders en vaklieden die op zoek waren naar werk en stabiliteit. Zij vestigden zich in grensprovincies, vonden werk bij bedrijven in de regio en werden onderdeel van het lokale leven. De andere groep bestond uit joodse vluchtelingen die hun land ontvluchtten omdat de situatie steeds vijandiger werd. Zij kwamen niet voor kansen, maar voor veiligheid, vaak zonder papieren en zonder zekerheid over hun toekomst. Tijdens de oorlog en vooral in de jaren daarna bleek hoe verschillend hun lot zou zijn, ondanks hun gedeelde Duitse afkomst.

De gevestigde migrant

In Brabant woonden al vóór 1930 Duitse arbeiders die nauwelijks als “Duits” werden gezien. Ze spraken de taal, werkten in de regio en waren ingebed in het sociale weefsel. Toen de oorlog uitbrak, veranderde hun nationaliteit echter in een risico. Als Rijksduitsers werden zij opgeroepen voor dienst in het Duitse leger, ook als zij al jaren in Nederland woonden. Sommigen werden ingedeeld bij de bezettingsmacht in Nederland zelf, waar zij zich in een dubbelrol bevonden: formeel onderdeel van het regime, maar sociaal nog steeds verbonden met hun Nederlandse omgeving. In verschillende archieven zijn gevallen bekend van desertie en onderduik, wat laat zien dat niet alle Duitse militairen zich met het regime identificeerden. Na de bevrijding werden deze vooroorlogse migranten onderzocht, maar vaak mild beoordeeld. Hun lange verblijf, hun werk en hun sociale wortels wogen zwaar in hun voordeel. Toen het naturalisatiebeleid in de jaren vijftig versoepelde, konden velen relatief snel Nederlander worden. Hun integratie was al vóór de oorlog begonnen; de formele erkenning volgde later.

De vluchteling

Heel anders was het lot van de Duitsers die pas na 1933 naar Nederland kwamen, vooral joodse vluchtelingen. Zij kwamen niet om te werken, maar om te ontsnappen aan vervolging. Ze hadden geen netwerk, geen bestaanszekerheid en vaak geen documenten meer. De Nederlandse overheid, die al vóór de oorlog terughoudend was, behandelde hen als tijdelijke vreemdelingen, en na de oorlog bleef dat stempel bestaan. Hoewel zij de grootste slachtoffers van het naziregime waren, werden zij bureaucratisch gezien nog steeds als “Duitsers” behandeld. Dat betekende strenge screening, langdurige onzekerheid en politieke gevoeligheid rond naturalisatie. De angst om “te snel Duitsers te naturaliseren” werkte ook door in hun dossiers. Historisch onderzoek laat zien dat vooroorlogse antisemitische reflexen binnen delen van het ambtelijk apparaat na 1945 niet verdwenen. Niet in de vorm van openlijke vijandigheid, maar als een bureaucratische manier van kijken die joodse overlevenden structureel benadeelde. Regels werden strikt toegepast, ook wanneer dat betekende dat overlevenden hun eigen bezittingen moesten terugkopen of jarenlang moesten wachten op erkenning. Het gevolg was dat juist de mensen die het meest geleden hadden, het langst moesten wachten op burgerschap.

Twee paden, één land

De tegenstelling tussen deze twee groepen laat zien hoe sterk afkomst, timing en bureaucratische cultuur het lot bepaalden. De vooroorlogse migrant kwam in een tijd van open grenzen, bouwde een leven op, werd tijdens de oorlog gedwongen tot dienst maar kon zich soms losmaken, werd na de oorlog gezien als ingeburgerd en kon in de jaren vijftig relatief snel naturaliseren. De joodse vluchteling kwam in een tijd van angst en restricties, verloor alles, werd tijdens de oorlog vervolgd, werd na de oorlog bureaucratisch gewantrouwd en moest vaak jarenlang wachten op naturalisatie. Beide groepen waren Duits en leefden in Nederland, maar hun positie in de samenleving, hun mogelijkheden en hun behandeling door de overheid liepen mijlenver uiteen.

Wat dit vertelt over naoorlogs Nederland

De naoorlogse jaren waren geen periode van heldere morele lijnen, maar van administratieve voorzichtigheid en continuïteit. Veel ambtenaren die vóór de oorlog verantwoordelijk waren voor het vreemdelingenbeleid, zaten na 1945 nog steeds op dezelfde posten. Daardoor bleven bepaalde vooroorlogse aannames en reflexen bestaan. De overheid keek niet in de eerste plaats naar de omstandigheden waaronder iemand naar Nederland was gekomen, maar naar verblijfsduur, documentatie, sociale inbedding en politieke gevoeligheid. In die manier van beoordelen kregen vooroorlogse Duitse migranten met een lang verblijf en een gedocumenteerd leven in Nederland relatief snel een gunstige beoordeling. Voor joodse vluchtelingen lag dat anders: zij hadden vaak geen papieren meer, geen langdurige verblijfsregistratie en geen netwerk dat hun positie kon bevestigen. Bovendien wijzen historici erop dat binnen delen van het ambtelijk apparaat nog steeds een vorm van institutioneel antisemitisme aanwezig was, wat leidde tot extra barrières in hun dossiers. Het resultaat was een paradox die in de geschiedschrijving breed wordt erkend: Duitsers die al vóór de oorlog in Nederland woonden, werden sneller Nederlander dan Duitsers die voor het nazisme waren gevlucht. Niet omdat het systeem neutraal was, maar omdat administratieve criteria en hardnekkige vooroorlogse denkbeelden na 1945 bleven doorwerken.
Dit artikel verscheen 4 weken geleden voor het eerst. De laatste
aanpassingen
Bij aanpassingen moet gedacht worden aan het herstellen van taalfouten, kromme zinnen, feitelijke onjuistheden en verbroken hyperlinks.
werden 2 uur geleden doorgevoerd. Mocht je onverhoopt een onvolkomenheid zien, neem dan contact met ons op door middel van onderstaande knop.
Mail de redactie