Dit verhaal begint in Sydney, Australië waar twee schoolvrienden, Kim Ryrie en Peter Vogel in 1975 besloten om "de beste synthesizer ter wereld" te bouwen. Tijdens het ontwikkelproces kwam Vogel op het idee om de geluiden niet
elektronisch na te bootsen
,
Een beroemd voorbeeld van eerste elektronische synthesizers is de Minimoog.
Afbeelding van de Minimoog synthesizer (foto:
Wikipedia)
maar een geluidfragment
digitaal op te nemen
Dit proces heet Analog-to-Digital converting (ADC), waarbij een signaal dat met een microfoon wordt opgenomen, wordt omgezet in een digitaal signaal.
en dan op verschillende toonhoogtes en snelheden af te spelen. Door de kleine omvang van geheugenchips, kon er in het begin maar maximaal één seconde geluid worden opgenomen. Deze korte stukjes muziek noemden ze "Samples". Een begrip in de muziekindustrie was daarmee geboren.
Het uiteindelijke instrument dat Ryrie en Vogel maakte, was de
Fairlight CMI
De naam van de Fairlight is afkomstig van de gelijknamige vleugelboten die in de haven Sydney voeren. CMI staat voor Computer Musical Instrument
Fairlight vleugboot in de haven van Sydney (foto:
Wikipedia)
en aangezien de Fairlight volledig met de hand werd geassembleerd, waren de productiekosten hoog, met een prijskaartje vanaf
$ 25.000
Omgerekend naar prijzen van is dit ruim € 150.000.
tot gevolg. Dit weerhield grote artiesen zoals Peter Gabriel, Alan Parsons, Stevie Wonder en Jan Hammer er niet van om een Fairlight aan te schaffen.
Ook de Geoffrey Downes, toetsenist van The Buggles beschikte over een Fairlight. Naast Downes zat Trever Horn (zang en bas) in deze Britse New Wave band die bekendheid kreeg met de hit
Video killed the radio star
.
Aangezien Downes niet goed met de Fairlight overweg kon, werd hij geholpen door zijn roadie
J.J. Jeczalik
Volgens de
biografie op theartofnoiseonline.com studeerde de in 1955 geboren Jonathan Edward Stephen Jeczalik Geografie aan de Durham Universiteit en behaalde zijn master aan de Universiteit van Birmingham voordat hij in de muziek actief werd.
met het opnemen en bewerken van
de samples
.
De Fairlight CMI IIx uit 1982, waarbij de x staat voor een uitbreiding waarmee de Fairlight met MIDI wordt uitgerust. (foto:
Peter Wielk)
The Fairlight CMI II
In 1981 en 1982 gebeurt er heel veel en het is moeilijk te achterhalen in welke volgorde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Maar ergens in 1981 werd Horn gevraagd om de productie van het album
The lexicon of love
van ABC op zich te nemen. De opnames vonden plaats in de SARM Studio's in het oosten van Londen waar Gary Langan als geluidtechnicus werkte. Horn vroeg Anne Dudley als toetsenist en om de arrangementen voor een dertigtal strijkers te maken. Dit laatste vanwege haar opleiding in de klassieke muziek.
Omdat de Fairlight van Downes niet meer beschikbaar was, kocht Horn er zelf een. Dit was waarschijnlijk een Fairlight CMI van de tweede generatie. In
een interview
zegt Horn over de aankoop:
"Mijn vrouw flipte behoorlijk, aangezien [de Fairlight] 18.000 pond kostte en dat was destijds een fortuin!"
Toen de Fairlight arriveerde realiseerde Horn zich dat het werken met zo'n apparaat een "full-time job" was en daarom vroeg hij Jeczalik om deze taak op zich te nemen:
"Hij verveelde zich en zocht werk, dus deed ik hem een aanbod en gaf hem de Fairlight, waarmee hij dag en nacht aan de slag ging."
Naast
The lexicon of love werken werkten Lagnan en Jeczalik ook samen met Horn aan het nummer
Owner of a lonely heart
van Yes en het album
Duck Rock
van Malcolm McLaren.
The Art of Noise
Ergens in 1983 experimenteerden Langan, Jeczalik en Dudley in de studio met een weggegooide drumriff van Yes. Het was een van de eerste keren dat een complete drumtrack werd gesampled met behulp van de
Page R‑sequencer
De Page‑R‑sequencer was het hart van de Fairlight CMI: een grafische, pattern‑gebaseerde manier van componeren waarmee producers ritmes en melodieën konden bouwen uit korte patronen. Het systeem maakte sampling voor het eerst echt programmeerbaar en gaf de mogelijkheid om lagen, structuren en complete tracks op te bouwen uit blokjes geluid.
Page-R-sequencer op de Fairlight CMI II (foto:
Wikipedia )
op de Fairlight CMI.
Dat ene riff werd het startpunt van een project dat Horn en journalist Paul Morley zouden uitbouwen tot een conceptuele, bijna theoretische popgroep: The Art of Noise. De naam kwam van Luigi Russolo’s futuristische manifest L’arte dei rumori — een programmatische keuze: muziek moest niet langer netjes klinken, maar vooral interessant.
Into Battle (1983)
De eerste release, Into Battle with the Art of Noise, was een EP die klonk alsof iemand de studio had opengebroken en daar alle geluiden had losgelaten. Beat Box — een collage van gesamplede drums, ruis, clicks en digitale artefacten — werd een danshit in de Verenigde Staten.
Ook de klassieker Moments in Love verscheen hier voor het eerst: een minimalistisch, bijna ambient‑achtig stuk dat liet horen dat sampling niet alleen ritme, maar ook emotie kon dragen.
Who’s Afraid of the Art of Noise? (1984)
Het debuutalbum Who’s Afraid of the Art of Noise? bracht de esthetiek van de EP naar een groter canvas. Tracks als Close (To the Edit) lieten horen hoe ver de groep durfde te gaan: gehakte samples, agressieve staccato‑ritmes, stemmen die tot pure textuur waren gereduceerd.
Het album haalde de hitlijsten in meerdere landen, maar belangrijker: het definieerde sampling als een artistiek instrument, niet als een truc.
In Visible Silence (1986)
Na een
interne breuk
De breuk binnen The Art of Noise ontstond toen de spanningen tussen de meer conceptuele koers van ZTT en de praktische studiowerkelijkheid van de kernleden opliepen. Trevor Horn en Paul Morley bleven bij het label, terwijl Anne Dudley, J.J. Jeczalik en Gary Langan vertrokken en op China Records een zelfstandige tweede fase begonnen.
gingen Dudley, Jeczalik en Langan verder als trio. In Visible Silence was toegankelijker, maar nog steeds radicaal. De samenwerking met gitarist Duane Eddy op Peter Gunn leverde een onverwachte hit op.
De Fairlight bleef het hart van de productie, maar de groep begon meer akoestische elementen te integreren. Het resultaat was een hybride vorm: popmuziek die klonk alsof ze door een computer was gedroomd.
In No Sense? Nonsense! (1987)
Dit album is misschien wel hun meest filmische werk. Geluiden worden niet langer alleen gesampled, maar geënsceneerd. De groep bouwt lagen van percussie, found footage, orkestrale fragmenten en digitale ruis tot een soort auditieve montage.
Het is muziek die zich gedraagt als cinema: scènes, cuts, perspectiefwisselingen. De sampler als regisseur.
Below the Waste (1989)
Op Below the Waste zoekt de groep naar een bredere klankwereld. Etnische percussie, veldopnames en ambient‑achtige structuren worden gecombineerd met hun kenmerkende digitale precisie.
Het album werd minder goed ontvangen, maar laat wel zien hoe ver The Art of Noise het idee van sampling wilde oprekken: niet alleen geluiden knippen, maar culturen, ruimtes en tijdlagen.
The Seduction of Claude Debussy (1999)
In 1998 kwamen Horn, Dudley en Morley opnieuw onder het ZTT-label samen. De band werd daarbij aangevuld met Lol Creme. Het resultaat was The Seduction of Claude Debussy, een album dat de impressionistische harmonieën van Debussy koppelt aan drum‑’n‑bass, spoken word en elektronische soundscapes.
Het is een intellectueel project, bijna academisch, maar tegelijk een logische eindstap: The Art of Noise begon bij futurisme en eindigde bij modernisme.
De erfenis
The Art of Noise bracht relatief weinig albums uit, maar hun invloed is enorm. Ze bewezen dat een sampler een instrument is, geen hulpmiddel; dat popmuziek conceptueel én dansbaar kan zijn; en dat geluid zelf — niet melodie of harmonie — het vertrekpunt kan vormen. Hun werk is vaak geremixt, heruitgegeven en opnieuw geïnterpreteerd.
Albums
Vervolgcarrières
Na het uiteenvallen van de oorspronkelijke formatie bewandelde ieder lid een eigen pad. Hun carrières liepen uiteen, maar allemaal bleven ze invloedrijk binnen de muziek- en mediacultuur.
Trevor Horne
Sinds 1981 is Horn als producent actief. Hij produceerde het succesvolle album The Lexicon of Love van de band ABC, dat in 1982 verscheen. Grotere commerciële successen dienden zich aan in 1984. Voor de band Frankie Goes to Hollywood produceerde Horn grote hits als Relax en Two Tribes. Ook de single Do They Know It's Christmas van Band Aid is door Horn geproduceerd. Een keur aan artiesten heeft sindsdien gebruikgemaakt van Horn als producent: Cher, Grace Jones, Seal, Propaganda, Tina Turner, Lisa Stansfield, Tom Jones, Paul McCartney, Pet Shop Boys, Simple Minds en Mike Oldfield.
In november 2004 heeft in de Wembley Arena het concert
Produced by Trevor Horne plaats ten behoeve van het
Prince's Trust, waarbij het werk van Trevor Horn als muziekproducent centraal staat. Verschillende artiesten met wie Horn samenwerkte, treden op met nummers die Horn produceerde. Zijn meest recente werk als producent zijn o.a. het album Fundamental van de Pet Shop Boys.
Horn is ook als songwriter actief. Hij droeg onder meer bij aan het nummer Baby Blue van Dusty Springfield uit 1979,
Owner of a Lonely Heart van Yes uit 1983, Buffalo Gals van Malcolm McLaren en
Slave to the Rhythm van Grace Jones uit 1985. Horn bezit een groot aandeel in het platenlabel
Zang Tuum Tumb (ZTT) Records.
Paul Morley
Morley bleef na de breuk de conceptuele stem van ZTT. Hij schreef manifesten en campagnes voor Frankie Goes to Hollywood en Propaganda, en ontwikkelde het theoretische raamwerk rond acts als 808 State. Buiten het label werd hij een invloedrijk schrijver voor NME, The Guardian en The Observer. Hij publiceerde boeken zoals Words and Music en The Age of Bowie, en maakte BBC‑documentaires over popcultuur. Ook bleef hij betrokken bij het archiveren en contextualiseren van ZTT‑ en Art of Noise‑materiaal.
Gary Langan
Langan werkte verder als engineer en producer en bleef een veelgevraagd studiotechnicus. Hij was eerder al engineer op Queen’s A Night at the Opera, waaronder Bohemian Rhapsody, en werkte later met Spandau Ballet, Billy Idol, Public Image Ltd, Rod Stewart en ABC. In de jaren 2000 hield hij zich bezig met live‑producties en remasterprojecten, waaronder heruitgaven van ZTT‑catalogusmateriaal. Zijn technische precisie bleef zijn handelsmerk.
J.J. Jeczalik
Jeczalik werd een van de eerste specialisten die de Fairlight CMI tot het uiterste dreef. Na The Art of Noise werkte hij aan producties voor Pet Shop Boys, Stephen Duffy en Tom Jones. Hij werd een veelgevraagd consultant voor digitale samplingtechnieken en gaf masterclasses over de Fairlight. Zijn werk werd later genoemd als invloed door elektronische acts als The Prodigy, Orbital en The Chemical Brothers. Zijn rol als pionier van pattern‑gebaseerde digitale productie bleef een stille maar blijvende erfenis.
Anne Dudley
Dudley bouwde een indrukwekkende carrière op als componist, arrangeur en dirigent. Ze won een Oscar voor haar soundtrack voor The Full Monty en componeerde muziek voor films als American History X, The Crying Game, Tristan & Isolde, Elle en Poldark. Als arrangeur werkte ze met ABC, Robbie Williams, Seal, Elton John, Tina Turner en Rod Stewart. Ze dirigeerde orkesten voor live‑shows van Trevor Horn en bleef betrokken bij latere Art of Noise‑reünies.
Lol Creme
Creme, die in de latere fase aansloot, bracht een rijke achtergrond mee uit 10cc en Godley & Creme. Hij was mede‑verantwoordelijk voor hits als Rubber Bullets, I’m Not in Love en Cry. Als regisseur maakte hij baanbrekende videoclips voor The Police (Every Breath You Take), Duran Duran (Girls on Film), Herbie Hancock (Rockit), Yes en Frankie Goes to Hollywood. Zijn bijdrage aan The Seduction of Claude Debussy gaf de groep een visuele en melodische scherpte die perfect aansloot bij de elektronische esthetiek van de late jaren negentig.
Dit artikel verscheen 12 jaar geleden voor het eerst en werd 2 weken geleden voor het laatst inhoudelijk bijgewerkt. Mocht je onverhoopt een onvolkomenheid zien, neem dan contact met ons op door middel van onderstaande knop.
Mail de redactie