keyboard_arrow_up

Harry Mulisch

Harry Mulisch behoort tot die schrijvers die hun tijd niet alleen beschrijven, maar verklaren. Zijn oeuvre vormt een universum waarin logica, mythologie en ironie elkaar ontmoeten.
 23 maart 2011 3 min. leestijd Hans van Dijk / Anefo
Harry Kurt Victor Mulisch
werd in 1927 geboren, maar zijn werkelijke geboorte voltrok zich in de jaren veertig, toen de wereld in brand stond en hij — zonder dat hij erom vroeg — tot middelpunt van een morele paradox werd gemaakt. Zijn vader werkte voor de bezetter, zijn Joodse moeder werd door diezelfde bezetter beschermd. Het was een biografie die zo symbolisch was dat zij bijna door hemzelf geschreven leek.

Hij zei later: “Ik bén de Tweede Wereldoorlog.” Niet als provocatie, maar als constatering. In romans als Het stenen bruidsbed en De aanslag fungeert de oorlog niet als decor, maar als mechanisme: een spiegel waarin de mens zijn eigen onvermogen tot objectiviteit ziet.

De geëngageerde denker

In de jaren zestig trad Mulisch de wereld binnen als deelnemer. Hij reisde naar Cuba, schreef over revoluties, analyseerde het Eichmann‑proces met de precisie van een natuurkundige die een experiment ontleedt. Zijn engagement was nooit modieus; het vloeide voort uit zijn overtuiging dat de schrijver een verantwoordelijkheid draagt die verder reikt dan de literatuur. In zijn manifesten formuleerde hij het als een axioma: denken is handelen. Schrijven is geen verslag van iets dat gebeurd is; schrijven is wat er gebeurt.

De terugkeer naar de roman


Toen hij in de jaren zeventig terugkeerde naar de roman, deed hij dat met een helderheid die zijn vroegere werk al had aangekondigd. Twee vrouwen bracht een nieuwe toon, De aanslag bracht internationale erkenning, maar De ontdekking van de hemel bracht iets anders: een poging om de kosmos zelf te ordenen.
Het boek werd later uitgeroepen tot het beste Nederlandstalige boek ooit geschreven. Mulisch zou dat niet als compliment hebben gezien, maar als bevestiging van een wetmatigheid: de roman is geen afspiegeling van de werkelijkheid, maar een hogere vorm ervan. De schrijver noteert slechts wat zich in hem voltrekt.
Mulisch stelt dat de meeste boeken slechts reportages zijn — van gebeurtenissen, gedachten, fantasieën — maar dat de ware fantasie niet bij de schrijver ligt, maar bij de lezer. De lezer is geen toeschouwer van een toneelstuk, maar de acteur die alle rollen speelt. De schrijver levert tekst; het kunstwerk ontstaat pas door het talent van degene die leest.

De schrijver als verschijning

Mulisch was niet alleen een auteur, maar een verschijning — een figuur die zich met dezelfde zorg vormde als zijn romans. Zijn zilveren haar, zijn sonore dictie, zijn ironische zelfverzekerdheid: het waren geen maniertjes, maar instrumenten. Hij wist dat een schrijver zichtbaar moet zijn om gelezen te worden.
Achter die zichtbaarheid ging een arbeid schuil die niets met ijdelheid te maken had. Hij werkte dagelijks, methodisch, alsof hij een bouwwerk optrok waarvan alleen hij de blauwdruk kende.

Erfenis

Samen met Hermans en Reve vormt hij De Grote Drie, al is die classificatie even willekeurig als onvermijdelijk. Hermans wantrouwde de wereld, Reve beminde haar, maar Mulisch probeerde haar te begrijpen — en, waar mogelijk, te ordenen.
Zijn werk blijft bestaan omdat het niet alleen over gebeurtenissen gaat, maar over de krachten die gebeurtenissen voortbrengen: schuld, macht, toeval, verantwoordelijkheid. Dat zijn geen thema’s; dat zijn natuurwetten.

Bibliografie

Dit artikel verscheen 15 jaar geleden voor het eerst. De laatste
aanpassingen
Bij aanpassingen moet gedacht worden aan het herstellen van taalfouten, kromme zinnen, feitelijke onjuistheden en verbroken hyperlinks.
werden 2 maanden geleden doorgevoerd. Mocht je onverhoopt een onvolkomenheid zien, neem dan contact met ons op door middel van onderstaande knop.
Mail de redactie